Praktijkproject Koeien en Klauwen Afdrukken

Verbetering van de klauwgezondheid is goed mogelijk. Het begint met nauwkeurige registratie en vergt langdurige ondersteuning bij de aanpak. Het gebruik van de Klauwgezondheidscoach biedt een instrument om de veranderingen over tijd kwantitatief vast te leggen.

 

Conclusie
Verbetering van klauwgezondheid op melkveebedrijven is lastig, maar realiseerbaar. Door een gestructureerde aanpak, waarbij verschillende adviseurs samenwerken en waarbij motivatie van de veehouder cruciaal is, is een verbetering van de klauwgezondheidssituatie tot 100% mogelijk (gemiddeld 22%), wat een grote impact heeft op het dierwelzijn. Het aantal uitgevoerde koppelbekappingen, evenals de mate van uitvoering van de overeengekomen aanpassingen in het management, zijn indicatief voor het commitment van de veehouder. Het aanpakken van klauwgezondheid is een kwestie van lange adem en vergt deskundige begeleiding met gerichte ondersteuning van klauwbekapper, dierenarts en veevoeradviseur. De meerderheid van de veehouders is tevreden over de gekozen aanpak en is van mening dat de klauwgezondheid op het bedrijf daadwerkelijk verbeterd is. Dit heeft volgens hen tot gevolg dat ook de algehele diergezondheid en de productie beter zijn geworden. Wanneer de mogelijkheid geboden zou worden, zou de meerderheid door willen gaan met deze aanpak. Ook is tweederde van de betrokken adviseurs tevreden, en wil deze uitgebreide manier van werken ook op andere bedrijven toepassen. Hoewel een verlenging van het project nodig is om te beoordelen of het effect bestendig is, lijkt verbreding van de werkwijze in dit pilotproject naar het niveau van een georganiseerde aanpak zeker mogelijk.

Samenvatting
In januari 2007 werd in opdracht van de DKR het project Koeien en Klauwen opgestart met als doel: het verbeteren van de klauwgezondheid op een aantal voorbeeldbedrijven (binnen een tijdsbestek van 1 jaar) door middel van het consequent toepassen van maatregelen in de bedrijfsvoering. De verbeteringen werden objectief vastgelegd op basis van het verloop van de klauwgezondheidscore (KGS) in de klauwgezondheidscoach. Aan het begin van dit project is de klauwgezondheidssituatie geïnventariseerd op basis van de KGS (nulmeting). Tevens is een bijeenkomst belegd met de betrokken melkveehouders en adviseurs die het meest direct bij klauwgezondheid op het melkvee bedrijf betrokken zijn. Dat waren de dierenarts, veevoedingsadviseur en de klauwbekapper. Vervolgens werd in samenspraak met de veehouder en zijn adviseurs een plan van aanpak opgesteld met adviezen op het terrein van huisvesting, behandeling van klauwaandoeningen en voeding. De opzet hiervan was om voorgestelde adviezen te beperken tot haalbare aanpassingen in het klauwmanagement, en tevens adviezen te geven die een zo groot mogelijk effect zouden sorteren. Daarnaast werd, na het uitschrijven ervan, dit plan voorgelegd aan de veehouder met de vraag of hij de voorgestelde aanpassingen wilde uitvoeren. Op basis hiervan werd een plan van aanpak afgesproken. De aanpassingen in klauwmanagement en de veranderingen in de klauwgezondheid zijn geëvalueerd in de periode tussen januari 2007 en april 2008. Halverwege (herfst 2007) en op het einde van het project (april 2008) zijn opnieuw koppelbekappingen uitgevoerd en is een nieuwe KGS berekend. Ook is een schriftelijke enquete gehouden onder veehouders en adviseurs over de ervaringen van de gezamenlijke aanpak, de inpasbaarheid van de verstrekte adviezen in de bedrijfsvoering en hun mening omtrent de verandering in klauwgezondheid.

De gemiddelde bedrijfsgrootte van de 21 bedrijven die deelnamen aan het project was 78 (minimum 37, maximum 141) melkkoeien en de gemiddelde KGS op het moment van de eerste koppelbekapping was 66.1 op een schaal van 100 (minimum 30, maximum 90). Op basis van de KGS waren de situatie met betrekking tot Mortellaro- en Witte lijn defecten het ongunstigst. Van de 18 bedrijven waar 2 keer of vaker de KGS was uitgevoerd, was de eind-KGS op 2 bedrijven lager dan de begin-KGS, op 7 bedrijven bleef de KGS gelijk en op de overige 9 bedrijven steeg de KGS. De gemiddelde eind-KGS was 79.1 punten (minimum 40, maximum 100) ofwel een relatieve KGS verbetering ((EindKGS-Begin KGS)/Begin KGS) van 21.2% (minimum -50%, maximum 100%). Er bleek een significant verschil tussen bedrijven met 2 en bedrijven met 3 of meer KGS uitslagen. De gemiddelde relatieve KGS verbetering op bedrijven met 2 uitslagen was 0, terwijl de gemiddelde relatieve KGS verbetering op bedrijven met 3 of meer KGS uitslagen +17 punten was. Op bedrijven met 2 KGS uitslagen was de gemiddelde tussenpauze tussen de koppelbekappingen bijna 9 maanden, terwijl op bedrijven met 3 of meer koppelbekappingen de tijd tussen koppelbekappingen gemiddeld 6 maanden was, en de beoordelingsperiode dus minimaal een jaar. Adviezen werden "matig" (62% van een volledige uitvoering van het afgesproken plan) met minimum 20% en maximum 100%) uitgevoerd. Moeilijk uitvoerbare adviezen bleken niet alleen zaken die financieel ingrijpend waren zoals stalrenovatie of vernieuwing, maar ook adviezen met betrekking tot regelmatig en consequent handelen (bijvoorbeeld behandeling van koeien met zichtbare Mortellaro problemen). De relatieve verbetering van het klauwmanagement werd door de GD begeleiders geschat op 41%. Volgens 16 van de 21 veehouders was de klauwgezondheid op het bedrijf verbeterd, wat werd beaamd door de adviseurs. Op bedrijven met 2 koppelbekappingen, kwam de relatieve KGS verbetering niet overeen met de mening van de veehouders (verbetering klauwgezondheidssituatie) en met de inschatting van de GD begeleider (verandering klauwmanagement). Op bedrijven met 3 of meer koppelbekappingen bestond een positieve, maar niet statistisch significante correlatie tussen de relatieve KGS verbetering en de inschatting van de verandering in het klauwmanagement.

De verschillen tussen bedrijven met 2 of 3 of meer koppelbekappingen gaven aan dat in de laatste groep de klauwgezondheid op bedrijven duidelijk verbeterde. Dit kan het gevolg zijn van een betere motivatie van de veehouders in die groep, maar ook een effect van de langere duur waarover de klauwgezondheid en de uitvoering van aanpassingen is geëvalueerd. In deze laatste groep is er meer tijd verstreken tussen de advisering en de evaluatie van de klauwgezondheid. Dit toont aan dat ter verbetering van klauwgezondheid een langdurige en consequente aanpak vereist is. Om de bestendigheid van het effect vast te stellen, zou het wenselijk zijn dit project nog een jaar door te laten lopen. Hierbij zou tevens de relatie tussen klinische kreupelheid en klauwaandoeningen nader gekwantificeerd kunnen worden, waarmee het effect van klauwgezondheid op dierenwelzijn beter in beeld gebracht wordt.

bron: http://www.gddeventer.com